Ruwe bolster met een blanke pit?

Als ik dit ruig ogend heerschap in Pontrieux bij nacht en ontij was tegengekomen zou ik wellicht voor de zekerheid een blokje omgelopen hebben. Voor zover dat in het plaatsje mogelijk is uiteraard.

Misschien bedriegt ook deze keer de schijn en is de man een vredestichter pur sang die bij de frequente ruzies tussen de plaatselijke bakker en slager – twee gerenommeerde en gelauwerde ego’s; een vanwege zijn superbe croissants en de ander vanwege zijn bekroonde paté en zijn gave om het Bretonse weer te kunnen voorspellen – tussenbeide springt en daarbij zelf de meeste builen en schrammen oploopt.

Maar hij kan natuurlijk net zo goed een zachtmoedig filosoof zijn die bij een glas lokale appelwijn vredig contempleert over emoties en gevoelens als liefde en haat en waar en waarom kwalijke zaken als naijver, rancune en zwart-wit denkerij in de menselijke geest wortelen.

Ook als ik terugga naar Pontrieux zal ik naar verwachting niet te weten komen wie hij is en wat hij doet. Toen ik hem een paar maanden geleden zag sprak hij namelijk geen woord, zelfs niet met de mensen waarmee hij aan tafel zat en met wie hij brood, water en wijn deelde. Het lijkt me daarom onwaarschijnlijk dat hij tegen mij, als buitenstaander met een camera in de hand, wel openheid van zaken zou hebben gegeven.

En misschien is dat maar goed ook, want wat niet weet wat niet deert. Intrigerend blijft deze ruwe bolster met of zonder blanke pit echter wel. Maar dat geldt wel voor meer zaken die ik soms dagelijks zie gebeuren en waarvan ik me afvraag waarom men tussen zwart en wit de genuanceerde grijstinten niet meer kan of wil zien.

Maar als het dan echt niet anders kan is het beter het zwart gewoon het zwart te laten. En het wit wit. Laisser faire scheelt namelijk vaak een hoop grijze haren.