Feb 15

Ase’s dood

‘Hier. Ik zie je morgen wel.’ Met die woorden mikt ze het haastig ingepakte weekendtasje achter hem aan de auto in. Auw. Op zijn verkeerde been. Hoewel, allebei zijn benen zijn verkeerd nu. Terwijl de deuren worden dichtgegooid draait zij zich om en loopt terug naar de voordeur.  Een spoor van druppels loopt over het pad. Ze had snel zijn blauwzijden pyjama, zijn scheerspullen, een borstel en zijn gebittenbakje in een plastic zakje van de hema gegooid. Blijkbaar was het gebittenbakje niet helemaal dicht geweest. Jammer van zijn pyjama, maar hij moet het er maar mee doen. Ze heeft geen tijd meer om een schone te halen. Waarom had ze trouwens zijn borstel ingepakt? Hij heeft nauwelijks meer haar.

Bij de deur draait ze zich om en ziet de achterlichten verdwijnen over de besneeuwde oprijlaan. Zorgvuldig draait ze de deur in het slot. Dan loopt ze naar de keuken en schenkt zich een glas wijn in. Met de fles in de ene en het glas in de andere hand loopt ze door het huis en steekt onderweg alle lampen aan. Eindelijk alleen thuis. Hoelang is dat al niet geleden, dat ze een avond voor zichzelf had? Of zelfs een dag. Niet meer sinds hij gestopt is met werken. Wat is het, tien jaar geleden? Ze ploft neer op de bank en neemt een flinke slok. Moet ze nu de kinderen bellen? Ach nee, dat kan morgen ook nog wel. Eerst maar eens genieten van de rust en de eenzaamheid.

Na een tijdje gaat de telefoon. Daar heeft ze nu dus echt geen zin in. Ze schenkt zichzelf nog een keer in. De telefoon gaat nog een keer, en nogmaals. Een hele tijd later wordt er aan de deur gebeld. Lodderig kijkt ze naar de klok. Er zijn twee uren verstreken, het lijkt een eeuwigheid. Wankel staat ze op en loopt naar de deur. Daar staat een serieus kijkende huisarts. ‘Mag ik even binnenkomen?, vraagt hij beleefd. ‘Eigenlijk niet’, wil ze zeggen maar de beleefdheid gebiedt haar anders. ‘Kom binnen’, zegt ze dus. ‘Glaasje wijn?’, vraagt ze, gebarend naar de halflege fles op tafel.

‘Nee, bedankt. Ik heb slecht nieuws’. Ze gaat zitten en klemt het wijnglas in haar handen. In boeken zou zo’n glas op dit moment aan gruzelementen gaan, maar dat gebeurt niet. De dokter kijkt haar ernstig aan. ‘Het is gebeurd. Uw man is een uur geleden overleden, ze konden in het ziekenhuis niets meer voor hem betekenen.’

Omdat het stil blijft, hervat hij: ‘de wond aan zijn ene been was niet meer te verhelpen. Maar de bloeduitstorting op het andere been heeft hem de das om gedaan. Volgens de artsen leek het of hij een schop tegen het been had gehad. Maar dat zal toch niet? Hij zal zichzelf gestoten hebben, toch…’

Nog steeds zegt ze niets. De huisarts klopt haar bemoedigend op de knie. ‘De doodsoorzaak zal vastgesteld worden op een ongeluk. Hij gebruikte bloedverdunners, tenslotte. Dus elke wond kon hem fataal worden. Ik zal mezelf wel uitlaten. Gecondoleerd met uw verlies.’

Als ze weer alleen is, haalt ze een keer diep adem. En schenkt zich nog een glas in. Ze verbaast zich erover dat ze niets voelt. Geen verdriet uiteraard. Maar ook geen opluchting.

Natuurlijk was dit haar bedoeling niet geweest. Toen ze jaren geleden ontdekte wat voor een soort man hij was had ze weg kunnen gaan. Maar ze is gebleven. Eerst voor de kinderen, die haar dat nooit in dank hebben afgenomen. Toen bleef ze voor het huis, en voor het geld en hield ze zichzelf voor dat het allemaal best te dragen was. De vernederingen, de verwijten, ze liet het allemaal over zich heen komen en probeerde haar eigen leven daar tussendoor te leiden. Ze hield van het huis en van de enorme ruimte daar omheen en onderging als betaling daarvoor alles wat hij deed en zei. Toegegeven, hij had haar nooit mishandeld. Althans niet lichamelijk. Hoe ze er geestelijk voor staat durft ze nog niet onder ogen te zien.

Toen hij begon te kwakkelen met zijn gezondheid – veel te vroeg voor zijn leeftijd – was ze heimelijk een beetje opgelucht: misschien zou het nu wel snel met hem gedaan zijn. Maar hoewel hij dag en nacht klaagde over zijn pijntjes en ongemakken leek hij er verder weinig onder te lijden. Nadat ze hem een paar keer had voorgesteld om naar de huisarts te gaan en hij zich daar enorm kwaad over had gemaakt hield ze verder haar mond. Hij slikte braaf de bloedverdunnende pillen die hem waren voorgeschreven, dat wel, maar verder niets.

Dus toen hij die ontsteking aan zijn been had gekregen had zij haar mond gehouden, hoewel de lucht die rond hem hing steeds kwalijker werd. Dat was in de zomer geweest en zij bracht zoveel mogelijk tijd buiten door. Tegen de tijd dat ze weer vaker binnen moest bivakkeren leek ze een beetje aan die stank gewend te zijn. Toen de kinderen voor haar verjaardag op bezoek kwamen, de enige dag in het jaar dat ze het ouderlijk huis nog bezochten, en een opmerking hadden gemaakt over de stank had zij dat weggewuifd: ‘misschien ligt er een dode muis achter de kast, de poezen komen de laatste tijd vaak met muizen binnen.’ Het leek erop dat zij haar geloofden. Natuurlijk kende zij de naam die er bij hoorde, die leek een beetje op dat populaire liedje op youtube, en ze had genoeg boeken gelezen waarin het proces beschreven werd. Maar ze hield haar mond zolang hij zelf geen actie ondernam.

Totdat hij een paar dagen geleden niet meer op kon staan om zelf naar toilet te gaan. Kokhalzend moest zij hem helpen en wendde snel haar ogen af toen hij zijn been ontblootte. Terwijl hij zat, begon hij haar weer uit te foeteren. Nu was het opeens haar schuld dat hij zoveel pijn had, was het haar schuld dat hij niet naar een dokter was geweest. In machteloze woede gaf zij hem een flinke trap tegen zijn scheenbeen. Toevallig had ze haar puntlaarzen aan, omdat ze op het punt stond de stad in te gaan. Onmiddellijk verscheen er een enorme rode plek op zijn scheenbeen, die snel groter werd. Ze hielp hem weer naar de bank, waar hij tegenwoordig dag en nacht bivakkeerde en legde snel de deken over zijn benen.

Die avond barstte zijn been. De volgende morgen vond zij hem badend in het bloed. Ze verbond het been zo goed en zo kwaad als het ging maar natuurlijk ging de wond niet meer dicht. Dagenlang verschoonde zij zijn bed met afgewend hoofd en ingehouden adem.

Tot hij gistermiddag zo verzwakt was geworden dat hij zelf vroeg of zij de huisarts wilde bellen. Dat moet voor hem een enorme overwinning zijn, dacht ze cynisch en liep de keuken in om eerst nog even wat klusjes te gaan doen. Een paar uur later had ze eindelijk de tijd gevonden om te bellen. Het was weekend, dus haar eigen huisarts kreeg ze niet te pakken. De vervanger had nog flink wat tijd nodig gehad om hun huis te vinden maar toen hij één blik op de patiënt had geworpen belde hij meteen een ambulance. Die had hem meegenomen en nu zit ze dus hier, alleen.

Weduwe. Ze laat het woord een paar keer door haar mond rollen. De weduwe van Ase. Het klinkt goed. Beter dan ooit de vrouw van Ase heeft geklonken.

Ze heeft er spijt van, dat ze hem een paar dagen geleden heeft geschopt. Spijt dat ze dat niet al jaren eerder heeft gedaan. Wat de trage gangreen niet voor elkaar had gekregen lukte met één welgemikte trap van haar puntige laarsjes. Dat had ze eerder moeten bedenken…..

(dit verhaal is gebaseerd op een ware gebeurtenis die ik met toestemming van de verteller heb gebruikt)

Geef een reactie

Your email address will not be published.