Feb 15

Proloog

Het is het jaar 69 na Chr., al is er niemand die het jaar zo noemt. Niemand kent Chr. Het is het jaar van de Bataafse Opstand, het jaar van de dood van Nero. Maar ook dat is niet bekend op de plek waar dit verhaal zich afspeelt. De geschiedenis vormt zich pas later, in terugblik. In het nu bestaat alleen, welnu, het nu. En het verleden natuurlijk….toen, toen de wereld jong was.

Een tak breekt krakend doormidden en stuurt een wolk vonken de donkere hemel in. In de felle steekvlam die volgt zijn even de gezichten te zien van de mensen rond het vuur. Dan wordt het weer donker. In de stilte die volgt klink zacht het geluid van een drum: bom…doem….tak.tak.takbom….doem…tak.tak.tak……, het ritme van de moeder. Het gedrum klinkt luider en luider en stopt dan. Uit het donker klinkt een oude stem. De Grootmoeder spreekt.

‘Het is heel lang geleden, dat Moeder Aarde jong was en de continenten over haar lichaam dreven. Waar zij van elkaar af dreven vormden zich diepten die zich vulden met zee. Waar zij elkaar raakten duwden zij bergen omhoog. Dit ging zo vele jaren door, ontelbaar. Toen de bergen hoog genoeg waren vingen zij het vocht op hun flanken en hun toppen werden bedekt met sneeuw en ijs. Al dit vocht zocht zich een weg naar beneden en vormde de Grote Rivier, die wij nu de Rïnaz noemen. Op haar weg nam de Grote Rivier alles mee: stenen, zand, klei en leem en legde dat weer neer op de plaats waar zij de zee ontmoette. Zo vormde zich een groot gebied van zand en klei, doorsneden door kreken en stroompjes. Soms kwam de zee omhoog en overspoelde dit nieuwe land. Dan weer had de Rivier de overhand en kon zij bouwen aan het land. Het land waar wij nu wonen.

Dit ging zo door, vele jaren, ontelbaar. Het land vormde zich, de Rivier stroomde. Maar toen brak er een tijdperk aan waarin de IJsreuzen regeerden. Zij bedekten het land met een dikke laag ijs, hoger dan jullie je kunnen voorstellen, hoger dan de hoogste boom die hier groeit en hoger dan de hoogste berg die jullie kennen. Het ijs kwam uit het noorden, uit het gebied in de richting waar de zon nooit staat en schoof het land voor zich uit, als een kleed dat wordt opgeduwd door een ongeduldige hand. De Rivier had zorgvuldig lagen gebouwd: zand, grind, leem en klei. Maar de ijsvingers duwden tot de plooien omhoog rezen, hoger dan het ijs zelve.

Na vele jaren werden de IJsreuzen verslagen en zij trokken zich terug. Het land ontdooide, de Rivier hervond haar loop. Zij vond een diepe noordelijke doorgang en een vlakte die naar het westen leidde. In de vlakte verzamelden zich de kuddes waarop onze voorvaderen jaagden: de oeros, de mammoet, de wolharige neushoorn. Zij zochten de vlakten waar moerasplanten groeiden. En onze voorouders volgden hen. Maar zij gingen niet wonen langs de Rivier want zij trok ook roofdieren aan.

Terwijl onze vaders jaagden, zochten onze moeders een goede plek om te wonen. En die vonden ze hier, aan de voet van de stuwwal. Halverwege de heuvel was het land vruchtbaar genoeg om hun kruiden en gewassen te verbouwen. En er stroomde bronwater uit de flanken van de heuvel. Levend water, moederwater.

Terwijl de mannen jaagden, zorgden de vrouwen voor het huis en de gewassen. En zij eerden de Moeder die het bronwater tot hen bracht. Laten wij die eerste vrouwen niet vergeten. Laat ons de bronnen niet vergeten.’

 rodevallei01

Het was in die dagen dat de vrouwen rituelen uitvoerden bij de bron. Toen het ritueel volbracht was, daalden zij de heuvel weer af. De Oude Grootmoeder rustte even en liet haar blik naar het oosten dwalen, waar de zon zodadelijk zou rijzen. Zij zag een rode hemel boven de rivier en zij voelde dat de oude tijden ten einde waren. In de verte brandde de wereld, al wist zij dat niet. Rome stond in brand en de legioenen waren in aantocht.

En zo ving de geschiedenis aan van de plaats die nu Nijmegen heet.

2 comments

    • antoinette duijsters on 16 februari 2014 at 09:02
    • Reply

    Goed verhaal.

    • frank forceps on 24 maart 2015 at 14:48
    • Reply

    goed verhaal

Geef een reactie

Your email address will not be published.