Category Archives: Nijmegen

nog steeds in de greep van de sneeuw

Om het carnaval een beetje te ontlopen ging ik weer eens op oertocht door de Ooijpolder. Jammer dat ik het pas zo kortgeleden heb ontdekt. Maar aan de andere kant, nu valt er nog veel te ontdekken.


Zo maakte ik een maand geleden op deze plek een fraaie spiegelfoto in ijs en water. Nu lag er nog slechts sneeuw.






Het barst er ook van de wilde dieren. Heel subtiel staat er bij de ingang een bordje dat je minstens 25 meter afstand moet houden tussen jezelf en zo’n oeros. Maar wat nou als zij op minder dan 25 meter van het pad staan? Gelukkig had hij geen belangstelling voor mij.






Even verder lag de dijk. Een prachtig winters landschap.






Onder aan de dijk vond ik deze resten van paalwoningen. Ofzo. Een mooi lijnenspel, in elk geval.












Het zal wel nostalgisch Nimweegs zijn, maar ik blijf een blik op de brug machtig mooi vinden, van welke kant dan ook.






Terug vanaf de dijk schrikte ik een kudde koniks op. Ze galloppeerden in de stuivende sneeuw weg. Even later zag ik ze terug in de luwte van een kreekdal. Ik voelde me net Ayla uit de Stam van de Holenbeer en kreeg neiging er eentje uit te zoeken om te temmen. Maar ik heb me beheerst.







Een fraai stukje industrieel erfgoed langs de dijk. Uit 1865.






De kortste weg terug voerde door het centrum waar ik midden in de carnavalsoptocht terecht kwam. Je ziet toch dat Nijmegen net te noordelijk ligt om echt iets van de praalwagens te maken. De meesten waren van karton en stelden niets voor. Deze vond ik wel grappig, omdat hij aansluit mijn verhaal gisteren over de ‘carrus navalis’.
 
Ook qua kijkers was het behoorlijk mager, trouwens.






Ivy


illegalen, romeinen en een fabeldier

Enkele weken geleden werden de landelijke media opgeschrikt door het bericht dat de oostelijke grens van Nijmegen geteisterd wordt door illegalen. Vanuit Duitsland steken ze massaal de grens over om zich te goed te doen in onze bossen. En dat niet alleen, ze woelen tuinen om en richten schade aan bij boeren. De golfbanen moeten worden gebarricadeerd met grachten en hekwerk.


Boeren en burgers krijgen geen schadevergoeding en afschieten mag niet omdat ze illegaal zijn. Er zijn in Nederland twee plaatsen waar ze legaal mogen verblijven: de Veluwe en de Mijnstreek in Limburg. Daar mag op ze gejaagd worden en wordt de schade vergoed. Overal elders zijn wilde zwijnen illegaal. En aangezien ze er niet zijn, richten ze dus geen schade aan en mag je hun aantal niet reguleren. Logisch toch?

De gemeente Groesbeek heeft daarom speciale borden geplaatst. Op zoek naar één van die borden raakte ik vanmiddag in Ubbergen verzeild. Ik werd afgeleid door de mooie besneeuwde bossen en voordat ik het wist suisde ik de Holleweg naar beneden af. Terugfietsen was geen optie, dus Groesbeek heb ik verder maar links laten liggen.

Ubbergen is namelijk ook erg mooi. En last van illegalen zullen ze daar niet hebben, want er staat een tolhuis.






Ook is er een oud kerkje. Het wordt gebruikt als expositieruimte, maar het kerkhof ligt er nog ongerept bij.

Een verlate bijdrage voor de kerktorenhanendag:

Na het kerkje weer een flinke klim omhoog, tot boven op de stuwwal. Vandaar heb je prachtig uitzicht richting Duitsland. En op het kleinste dorpje van Nederland: Persingen. Vier huizen en een kerk (tel maar na).

De stuwwal dateert uit de voorlaatste ijstijd en is al heel lang bewoond. Ook de Romeinen hebben er gezeten. Op de verste punt van de stuwwal, richting Waal hadden ze hun kampement op het Kops Plateau. Van hieruit is Nijmegen ontstaan. Er loopt door het bos waar ik eerder was ook nog een aquaduct. Onder de sneeuw was dat niet te vinden, dus dat wordt een expeditie voor het voorjaar.

Hierboven is een reconstructie van de oude legerplaats, maar ik vind het plateau verderop veel echter. Daar kan ik me nog Romeinen voorstellen, tussen de bosjes.



En vlak voordat ik de weg naar huis weer wilde inslaan kwam ik een oude bekende tegen: Pegasus. Die was me nog nooit opgevallen. Of is hij net geland?

Ivy

de zitting van hoor

Ter tiender ure op den zevenden Januari in het jaar Onzes Heren tweeduizendtien vervoeg ik mij op het stadhuis alwaar mijn bezwaar betreffende een mij aangedaan onrecht zal worden gehoord (blijf van mijn fiets af).
 
De hoofdingang van het gemeentehuis heeft een monumentale trap die echter slechts door bruidsparen en Sinterklaas wordt betreden. De officiële ingang is gevestigd in een steegje en weliswaar in het bezit van een monumentale trap (type anno jaren zestig) maar een trap die nergens naar leidt. Ja, een paar geblindeerde ramen waar vroeger de afdeling burgerzaken zat. Via een vaag parkje kom je bij de zij-ingang waar een omlaag hellende gang leidt naar de oorspronkelijke ontvangsthal. Sinds de afdeling burgerzaken is verdwenen strekt de hal zich woest en ledig voor de bezoekende burger uit. Aan het einde bevindt zich een balie met twee grijsgekapte ambtenaressen.
 
Beiden houden zich onledig met het verschuiven van paperassen en het turen op beeldschermen totdat eentje zich eindelijk verwaardigt op te kijken naar de bezoekers. Ik ben voor de gelegenheid vergezeld van Zoonlief, die zoiets ook wel eens wilde meemaken.
 
‘Ja?’ klinkt het nasaal vanachter de balie.
‘Goedemorgen’, antwoord ik beleefd, ‘ik kom voor een hoorzitting om tien uur’. Het is kwart voor tien.
De grijsharige dame zet haar bungelende brilletje op en pakt één van de zojuist van plaats veranderde paperassen. Met een roodgelakte nagel volgt ze de kolom tot het einde en vraagt dan: ‘hoe is de naam?’ ‘Melssen’, antwoord ik naar waarheid.
Opnieuw komt de rode nagel in het geweer. ‘En hoe laat was de afspraak?’ ‘Tien uur’, antwoord ik opnieuw waarheidsgetrouw.
 
‘Ik zie u hier niet staan. Waar was het voor?’
Omstandig leg ik haar uit dat ik voor een hoorzitting kom betreffende de inname van een fiets en de daarbij opgelegde boete. Ten overvloede haal ik de uitnodiging tevoorschijn en lees voor: 7 januari 10.00 uur melden bij de centrale balie.
 
‘O juist’, antwoordt zij en overlegt met haar collegaatje die met opgestoken oren alles heeft gevolgd. ‘Heb jij iets in je lijstje staan, Mien?’
Dame twee begint ook haar papieren te herschikken, kijkt ten overvloede nog eens op haar computerscherm en schudt van nee.
 
‘Met wie heeft u die afspraak?’ snibt ze mij toe, alsof ik geheel ten onrechte op de verkeerde tijd en de verkeerde plaats ben aangeland. ‘Dat weet ik niet, dat staat er niet bij.’ ‘Heeft u ook een doorkiesnummer?’ Ik schuif haar de brief toe en zij neemt het nummer op de brief over op een geel post-it’je. Ze pakt haar telefoon, belt een nummer en zegt dan: ‘hè, wat raar dat ik jou krijg. Heb jij iets met hoorzittingen te maken?’ Er klinkt wat gemummel vanaf de andere kant en dan roept de grijze dame: ‘oh, ik zie het al, ik heb de nummers omgedraaid!’ Ze draait een nieuw nummer en roept in de hoorn: ‘ik heb hier een mevrouw Nelson staan die een afspraak heeft om halluftien maar ik kan op mijn lijst niks vinden. Weet jij daarvan? Oh, ja, op die manier.’ Tegen mij vervolgt ze: ‘u heeft helemaal geen afspraak om halluftien maar om tien uur. Gaat u daar maar om de hoek zitten, dan komen ze u wel halen.’
 
Gehoorzaam gaan Zoonlief en ik om de hoek zitten. Zoonlief begint een baan als ambtenaar te ambiëren. Na een kwartier worden we zowaar gehaald. Door een web van gangen worden we naar een kamertje gevoerd waar zich drie mensen van de afdeling Juridische Zaken en twee van de afdeling Toezicht en Beheer bevinden.
 
Als we hebben plaatsgenomen, vraagt de juridische man: ‘heeft u misschien nog iets toe te voegen?’ Mijn brief ligt voor hem. Ook de heren van toezicht hebben een exemplaar. ‘Uh, nou ja, ik heb meen ik alles in de brief gezet. Heeft u misschien vragen daarover?’
 
Dat blijkt niet het geval, dus de meneer van toezicht steekt van wal. Alsof hij letterlijk voorleest uit een gemeenteverordening begint hij over van overheidswege toegestane parkeerplaatsen voor fietsen, het beleid van de gemeente om toch vooral zoveel mogelijk de fiets en de trein te pakken naar het werk, in navolging van de wethouder (voor de goede verstaander, dat is de heer Depla, wel bekend met fietsenstallingen), over de wildgroei aan overlast veroorzakende fietsen waarbij naast burgers ook vooral studenten een veeg uit de pan krijgen, en dat ik het toch met hem eens moet zijn dat een tijdvenster van een kwartier héél coulant is voor het doen van een korte boodschap of het wegbrengen van iemand naar de trein maar dat daarna toch paal en perk gesteld dient te worden aan het willekeurig neerkwakken van de fiets.
 
Ik geef het toe, mijn verweer was zwak. Nadat hij twintig keer het woord burger had gebruikt durfde ik Zoonlief echt niet meer aan te kijken, vrezend dat men ons dan had kunnen opdweilen. Wel heb ik nogmaals gepleit voor een tijdvenster van vierentwintig uur, maar had daarbij het gevoel tegen een betonnen muur te praten. Beleid is Beleid en Regels zijn Regels en het was duidelijk dat deze meneer aan de wieg van de Betreffende Regel had gestaan en deze te vuur en te zwaard verdedigde. Bovendien zou volgens hem de burger niets leren van een dergelijk tijdvenster maar zijn (of – met een veelbetekenende blik – haar) fiets de volgende keer weer gewoon asociaal plaatsen. Op mijn vraag om hoeveel fietsen het dagelijks ging moest hij met zichtbare tegenzin toegeven dat het aantal opgepakte delinquenten soms nul bedroeg. Op een goede dag konden dat er wel vijfendertig zijn. Nee, uit zijn pleidooi kwam duidelijk naar voren dat de doelstelling toch echt was om zoveel mogelijk fietsen op te pakken. Want in Amsterdam haalden ze er soms wel vijfhonderd op een dag! Daar kon hij slechts van dromen…..
 
Ik vrees dus met groten vreze dat ik deze zaak ga verliezen. Binnen zes weken kan ik de uitspraak alsmede het verslag van deze zitting tegemoet zien. Waarop ik gelukkig wel weer in beroep kan gaan.
 
Want ik zal die vijfentwintig euro terugkrijgen!
 
Ivy

blijf van mijn fiets af!

Heel af en toe moet ik het openbaar vervoer nemen. De logische gang van zaken is dan, dat ik op de fiets naar het station ga, mijn fiets stal in de (schaarse) daartoe bestemde ruimte en bij terugkeer mijn fiets weer naar huis kan nemen.

Helaas denkt de gemeente daar heel anders over. Dus toen ik een week na de diefstal van mijn fiets opnieuw de plek waar ik mijn rijwiel had neergezet leeg vond, was ik niet heel erg blij.

Toen ik eindelijk achterhaald had waar mijn fiets was, kreeg ik te horen dat ik bezwaar kon maken. Nou, graag natuurlijk! In een moderne gemeente als Nijmegen kan zoiets via de digitale balie. Na twee weken kreeg ik een telefoontje, of ik misschien ook het officiële bewijs van inbeslagname kon faxen. Weer twee weken later kreeg ik een ambtelijk schrijven dat er op neerkwam dat ik een ‘verzuim’ had gepleegd door mijn bezwaar via e-mail in te dienen. Hetgeen resulteerde in onderstaande brief.
 
Aan het college van B&W
Nijmegen
 
27 november 2009
 
Geacht demissionair college,
 
Hierbij wil ik graag een verzuim herstellen door u schriftelijk te laten weten bezwaar te maken tegen het wederrechtelijk meenemen van mijn fiets door de Afac én het opleggen van een boete à € 25.- om diezelfde fiets weer terug te krijgen. En wel hierom.
 
Op woensdag 21 oktober jl. zette ik rond 9.30 uur mijn fiets bij het Centraal Station in het fietsenrek op de middenberm van de Van Schaeck Mathonsingel. Ik maakte daarbij gebruik van mijn eigen standaard fietsslot zonder extra hangsloten en kettingen. Bij terugkeer om 18.30 uur bleek echter mijn fiets toch te zijn verdwenen. In eerste instantie schrikt men bij zoiets en denkt onmiddellijk aan ontvreemding. Maar bij nader inzien bleek er een bord te hangen met als tekst: fiets weg? Bel Afac. Hetgeen ik niet meteen bij machte was te doen aangezien ik uit eigen vrije wil niet over een mobiele telefoon beschik en bij thuiskomst (te voet) het nummer alweer kwijt was.
 
Toen ik op donderdagochtend 22 oktober de Afac belde bleken zij inderdaad over mijn fiets te beschikken. Sterker nog, zij hadden hem op verzoek van de gemeente in beslag genomen en opgeslagen op een (met het openbaar vervoer of te voet vrijwel onbereikbaar) industrieterrein alwaar hij op onmogelijke tijden (werkdagen tussen 13.00 – 15.00 uur, als oppassende belastingbetalers hun arbeid verrichten) opgehaald zou kunnen worden.
 
Pas op 27 oktober was mijn echtgenoot in de gelegenheid om met mij naar de St. Teunismolenweg te rijden alwaar ik met mijn rijwiel herenigd kon worden. Echter niet voordat ik € 25.- aan kosten voor de opgelegde bestuursdwang aan de baliemedewerker had overhandigd.

 

Wat houdt mijn bezwaar in?
 
Welnu, laat ik voorop stellen dat ik de gemeentelijke strijd tegen her en der verspreid staande fietswrakken van harte steun. Ik kan u zo nog wel enkele (studenten)panden aanwijzen die menig burger een doorn in het oog zijn.
 
Ik heb er uiteraard ook alle begrip voor dat de gemeente wil voorkomen dat de gehele binnenstad wordt overwoekerd door fietsen die schots en scheef tegen puien staan en derhalve de hinderlijk in de weg staande fietsen laat wegslepen.
 
Doch ik maak ernstig bezwaar tegen de gevolgde handelswijze, namelijk het zonder voorafgaande waarschuwing binnen 24 uur verwijderen van mijn eigendom, voorzien van werkend licht én deugdelijk slot. Temeer daar ik zelf mijn fiets weldegelijk in een fietsenrek had geplaatst, onwetend als ik was van de verscherpte maatregel. Een andere burger, die blijkbaar beter op de hoogte was, heeft zich echter vermeid mijn fiets (die immers niet met hangsloten en kettingen aan de fietsbeugel verankerd lag) uit dit rek te halen teneinde zijn eigen rijwiel te behoeden voor inbeslagname. Daarmee mij dus ernstig duperend. Niet alleen moest ik lopen naar huis, nee, ik kreeg ook nog eens te maken met de toepassing van bestuursdwang, opgelegd én uitgevoerd waarvoor mij de kosten in de onschuldige schoenen werden geschoven. Kortom, deze hadden redelijkerwijze niet te mijner lasten behoren te komen.
 
Maar dat is niet het enige. Voorheen, ergens in de zomervakantie, werden door de Dienst Toezicht flappen aan de fietsen gehangen (ook de fietsen die in de rekken stonden) waarop de eigenaar gewaarschuwd werd dat de fiets, bij aantreffen na 31 dagen in onberoerde staat, zou worden verwijderd. Kijk, dat gaat misschien wat ver, elke dag een flap aan elke fiets. Maar zou het geen overweging verdienen om de fietsen die – al dan niet door de eigenaar – buiten de daartoe van overheidswege aangewezen plekken zijn gestald te voorzien van een waarschuwing dat deze bijvoorbeeld na 24 uur worden verwijderd? Op die manier worden de onschuldige slachtoffers van een onbevoegde fietsverplaatsing gespaard. En wordt het doel van de gemeente, namelijk het tegengaan van weesfietsen, toch gehaald.
 
En die enkeling, die ondanks waarschuwingen toch hardnekkig zijn fiets buiten de aangewezen plaatsen blijft stallen? Ach, laat maar gaan. Sommigen zijn nu eenmaal echt niet op te voeden. Maar gelooft u mij, als burger kan ik u zeggen dat wij in het algemeen gewoon best wel gehoorzaam zijn. Overmacht wegens fietsklemgebrek daargelaten.
 
Ik hoop dan ook de vijfentwintig euro, waar ik erg aan was gehecht, binnenkort weer terug op mijn rekening te mogen zien en ik hoop daarnaast dat ik u enige tot nadenken stemmende momenten heb bezorgd met mijn welgemeende schrijven.
 
Hoogachtend,
 
Ivy
 

kleuren tussen bemoste stenen

Dat een kerkhof niet altijd somber hoeft te zijn bewees de bijdrage van Joost van den Broek over een kerkhof in Roemenië in het katern Reizen van afgelopen zaterdag. Dat kerkhof stond vol kleurig houtsnijwerk met een knipoog naar de levenswandel van degene die daar lag.


Ook op het prachtige kerkhof langs de Daalseweg waar ik vorige week foto’s nam lagen kleurige en zelfs humoristische graven.


In mijn vorige bijdrage liet ik vooral het mos en de engelen zien. Nu is de beurt aan het mozaïek en de beelden. En een paar oude schoenen.



Ik heb niet gekeken wie er ligt, maar duidelijk is dat de graven met veel liefde en persoonlijke aandacht zijn ingericht.


Ivy

bemoste grafzerken en verlopen engelen

‘Er staat langs de weg geen steen op een graf die niet door een vriend is neergezet’.

Deze zin uit de Edda schiet me altijd te binnen als ik over een begraafplaats loop. Niet dat ik daar vaak kom, zeker niet in Nederland. Vreemd genoeg is een bezoek aan Parijs niet compleet zonder een tochtje over Père Lachaise en ook tijdens vakanties in Engeland en Griekenland bezoeken we regelmatig – zonder overdreven morbide belangstelling – een begraafplaats. Maar de sfeer is daar anders. Stemmiger, gevoelvoller, mooier, vrolijker zelfs. De Nederlandse begraafplaatsen die ik tot nu toe noodgedwongen bezocht maakten een kille onpersoonlijke indruk. Rechte paden, vierkante perken met heggen en keurig in het gelid de ene confectiezerk naast de andere. Glimmend zwart met standaard gouden letters.

Sáái!
Zielloos.

Terwijl in het buitenland juist de sfeer wordt bepaald door kronkelige paden, bemoste scheefgezakte zerken of eeuwenoude bomen. Onnederlands, dacht ik.

Tot vorige week.


Toen verzeilde ik toevallig, op zoek naar iets heel anders, in Nijmegen-Oost op de Daalseweg. Ik vond dus niet wat ik zocht, maar ik vond wel wat ik vaak elders zocht. Ons eigen Père Lachaise, een bezielde dodenakker midden in de stad. Geflankeerd door woonhuizen en een grootgrutter.

Eeuwenoude bomen, verzakte zerken sinds achttien-zoveel, bemoste kruisen, woekerend onkruid en uitgelopen engelen. Beroemde namen en vergeten kinderen. Maar ook heel vrolijke mozaïeken en moderne kunst. Een tuintje met een boedha, een onkruidtuintje met door de tand des tijds aangetaste wandelschoenen. Lampionnen, windorgels en appelboompjes. Een plek om te zijn en vaker terug te komen.

Om in de stemming van de nacht van allerzielen te blijven heb ik deze foto’s gekozen. De vrolijke volgen nog wel een keer.

Deze vond ik triest. Een klein grafje, zonder leesbaar opschrift.

Maar ik weet nu wel waar ik wil zijn, later, als ik dood ben.

Ivy

Fietslot

Twee minuten voor sluitingstijd kom ik aan bij de dierenwinkel. De konijnenhokken en vogelhuisjes die normaal op het voorterrein staan zijn al bijna allemaal naar binnen gebracht. Snel zet ik mijn fiets op de opengevallen plaats en loop de winkel in. Ze hebben de winkel opnieuw ingericht, dus ik moet even zoeken waar het kippenvoer nu staat. Haastig schep ik een grote zak vol, zonnepitten rollen over de grond. Uit het vak er naast gris ik een zak houtzaagsel. Een grote, maakt niet uit, mijn fietstassen zijn groot genoeg. De man in stofjas achter de kassa propt alles in plastic tassen. Vanwege de naderende dierendag komen er ook nog allerlei doosjes met verrassingen voor de diverse dieren bij.
 
De hengsels van de plastic tasjes snijden in mijn vingers als ik terugloop naar de plek waar mijn fiets staat. Achter me vallen de schuifdeuren in het slot. Het hele voorterrein is nu leeg. Leeg? Ik kijk naar de plek waar mijn fiets stond en een knoop nestelt zich in mijn maag. Ik draai me om naar de winkeldeur waar de hor juist krakend naar beneden zakt. Ik klop op de ruit en de man in de stofjas hijst moeizaam de ijzeren hor weer een eindje omhoog. ‘Ja?’, vraagt hij, onder de deur door. ‘Eh, met het opruimen van de hokken, zijn jullie toen ook een fiets tegengekomen?’ vraag ik bedeesd. De man roept iets over zijn schouder, bukt zich weer en antwoordt: ‘nee’. Ratelend zakt de hor in de drempel.
 
Vertwijfeld kijk ik nog eens om me heen. De plek waar mijn fiets stond is nog steeds leeg. Zuchtend pak ik de te zware plastic zakken en loop naar de straat. Het is niet eens zo ver, maar de zakken maken het er niet gemakkelijker op.
 
Als ik het kruispunt nader, stuift een politieauto met zwaailichten en sirene langs me heen. Iets in me wil hem naroepen: houd de dief!, maar hij heeft te veel haast. Hij wordt gevolgd door een ziekenauto.
 
Op het kruispunt, waar ik eigenlijk tien minuten geleden had moeten oversteken is het een chaos. Auto’s staan door elkaar, mensen staan in rijen op de stoep. Ik wurm me er langs, als mijn blik op een bekend fietswiel valt. Het steekt verwrongen uit de massa auto’s op. Een oude man volgt mijn blik en merkt hoofdschuddend op dat het lot weer heeft toegeslagen.
 
Ik loop door. Als het het lot van mijn fiets was vandaag te verongelukken, ben ik blij dat ik er niet op zat.

Ivy

Mariken herleeft

Voor het eerst in de historie, in elk geval nadat zij rond het jaar 1470 door de duivelse Moenen werd verleid, zet Mariken van Nimwegen weer voet op Nijmeegse bodem.
 
Twee jaar geleden maakte ik jullie al deelgenoot van het Middeleeuwse Nijmegen en mijn aanschaf van een rode mantel. Vorig jaar was ik weer een enthousiaste toeschouwer op het feest van de Gebroeders van Limburg. Op een terrasje met een paar collega’s verbaasden wij ons, met zicht op het beeldje van Mariken, dat zij helemaal geen deel uitmaakte van het feestgebeuren.
 
Op het terras was ik nietsvermoedend getuige van de geboorte van een Groots Plan. Want de school waar ik werk is een Cultuurprofielschool. Dat profiel wordt op bezielende wijze gedragen door een docent Nederlands, klassieke talen en filosofie die daarnaast ook enthousiast regisseur en tekstschrijver is. En die zat dus naast mij op dat terras.
 
Een paar maanden bleef het stil. Begin januari was er een brainstorm met een aantal Nijmeegse instellingen. Grote ideeën werden geopperd en verworpen, en kwamen in kleinere vorm weer terug. Een groot spektakel door de hele stad werd teruggebracht tot een aantal scènes in de Benedenstad. Maar die scènes mogen er dus wel zijn! Van de week was een generale repetitie en de mensen die per ongeluk toeschouwer waren stonden met open mond te kijken.
 
Het verhaal van Mariken is het verhaal van een meisje dat naar de markt gaat. Zij is de hele dag bezig en als zij aan het eind van de dag bij haar tante aanklopt om te overnachten treft zij haar in een slechte bui. Ontredderd vlucht Mariken de stad uit en zakt uitgeput neer. Het maakt haar niet uit wie haar komt helpen, god of de duivel. Dus komt die laatste, in de gedaante van Moenen. Hij belooft haar de zeven vrije kunsten te leren, in ruil daarvoor moet zij zieltjes voor hem winnen. Zeven jaar lang leiden ze een bandeloos bestaan, dan krijgt Mariken spijt doordat zij een wagenspel ziet waarin vergeving wordt beloofd aan degenen die echt berouw hebben. Moenen probeert haar nog de doden voordat zij gebiecht heeft, door haar hoog in de lucht te voeren en naar beneden te storten maar zijn snode plan mislukt en Mariken doet boete totdat na drie maal zeven jaren haar ketenen afvallen.
 
Dit verhaal is al een paar keer als toneelstuk opgevoerd, er is zelfs een kinderfilm van gemaakt maar in Nijmegen zelf heeft het nooit voet aan de grond gekregen.
 
Dat zal nu veranderen. Aanstaande zondag vindt de première plaats van een unieke voorstelling, bestaande uit losse scènes op locatie waar het publiek door een verteller wordt langsgevoerd.
 
Mijn eigen bescheiden rol daarin bestaat uit de markt. De enige reden waarom Mariken naar Nimwegen gaat is die markt waar zij zwavelstokjes, marjolein, zout en azijn moet kopen. Tja, je zal er maar om verlegen zitten…. Maar het was dus twee weken voor de vakantie dat ik werd gevraagd om eventjes die markt op poten te zetten. Dat heeft me nog wel wat hoofdbrekens gekost. Want de markt is alleen maar een kleine scène in het geheel, maar we moeten daar wel de hele dag zitten en nog authentiek wezen ook. Op zo’n korte termijn was het niet meer mogelijk om ergens een echte middeleeuwse marktkraam te huren. Gelukkig had een bevriende houtbewerker tijd om een ruwe houten tafel in elkaar te zetten. Verder leggen we wat doeken neer om onze waren op uit te spreiden: een emmer appels, bosjes kruiden, bakjes zout. Om ook iets te kunnen verkopen heb ik olie met spaanse peper (moenenolie) en passievruchtenazijn (marikenazijn – misschien een nieuwe Nijmeegse traditie?). En gaan we waskaarsen maken: zwavelstokjes voerde een beetje te ver dus doen we de werkelijkheid een beetje geweld aan. En ik heb mezelf geleerd om met een tol te spinnen dus wie weet kan ik een wolhandeltje opzetten. Want spinnewielen kenden ze nog niet in de Middeleeuwen.
 
De verdere Marikenroute wordt gevuld met toneel, jongleurs, verhalenvertellers en een heus wagenspel. Als klap op de vuurpijl wordt Mariken van de Stevenstoren gestort.
 
En nu maar hopen dat er ook publiek op af komt die daar een paar euro voor overheeft.
 
Wie het wil zien, moet zondag 30 augustus naar Nijmegen komen. Het Middeleeuws festijn start om 12.00 uur. De Marikenrondleiding start elk kwartier in het Kronenburgerpark.
 
Vooraankondiging
 
Mariken valt van de toren

Ivy


 
 

Vreemd luchtje

Gisteravond zaten we precies op de rand van een onweersbui. En ondanks het feit dat ik weldegelijk in bezit ben van een Echte Canon (nou vooruit, een mini-uitvoering Powershot S50) heb ik er de ballen verstand van. Voor mij moet je een camera richten – klikken – klaar. Soms denkt de camera in kwestie daar anders over.
 
Zo niet gisteravond, hoewel hij een tevergeefse poging deed om een regenboog met flits te fotograferen. Maar de foto’s van de andere kant van de bui waren licht genoeg van zichzelf.
 
Mocht je je afvragen op welke planeet wij wonen? Ik twijfelde zelf gisteren ook even. Overigens bleef de stad verschoond van regen, vreemd genoeg, en kon het vuurwerk ter ere van de eerste Vierdaagse avond gewoon doorgaan. Maar wij hadden genoeg vuurwerk voor één avond gezien want een bijna een uur lang waren de flitsen niet van de lucht en was het – op de vreemde gele gloed in het westen na – pikkedonker.
 

 
Richting oost. De witte vlekjes zijn vallende regendruppels. De achterliggende bliksemflitsen lieten zich helaas niet vangen op de foto.
 

 
Op hetzelfde ogenblik zag de lucht in het westen er zo uit. Heel bizar, het licht was echt zwavelgeel.
 

 
De wolken leken te rafelen maar het bleef regenen en onweren aan de andere kant.
 

 
Nog ééntje dan. Omdat hij zo mooi is.
 
Ivy

Onhollandse lucht

Als schilder zou ik dit niet kunnen verzinnen. Dan maar met foto’s…

lentezachte kleur
botst met felblauwe hemel
onhollandse lucht

Het was dinsdag 22 april een zonnige koude dag. Noordenwind dus heldere lucht. Ik geloof niet dat de sering ooit zo vroeg in bloei heeft gestaan.

Ivy

« Older Entries Recent Entries »